Meten is weten. Maar wat weten we eigenlijk?
Pleegouders Verhalen door pleegouder Sander
Diagnostiek bij een pleegkind voelt in het begin vaak als houvast: als je maar goed genoeg onderzoekt wat er aan de hand is, weet je wat je moet doen.
Meten is weten. Het is zo’n zin die logisch klinkt, zeker wanneer je kind ergens tegenaan loopt. Dan komt er een antwoord. Een verklaring. Een behandeling misschien.
Onze oudste is inmiddels dertien. En als ik terugkijk op de afgelopen jaren, is er veel gemeten. Heel veel.
Wat al dat meten ons bracht
Gehooronderzoek. Oogonderzoek. Logopedische onderzoeken. Intelligentieonderzoek. Onderzoek naar dyslexie. Werkgeheugen. Verwerkingssnelheid. Verbaal begrip.
Er is gekeken, getest, vergeleken en opnieuw getest. Begrijp me niet verkeerd: veel daarvan is waardevol geweest.
Diagnostiek heeft dingen uitgesloten. Het heeft deuren geopend naar hulp die anders niet beschikbaar was geweest. Het heeft ons steeds een nieuw puzzelstukje gegeven.
Maar als ik nu naar onze dertienjarige kijk, blijft er ook een vraag hangen: hoeveel zijn we door al dat meten werkelijk dichter bij hém gekomen?
Want ergens onderweg ontdekten we iets wat moeilijk in een testscore te vangen is. Een kind laat tijdens een onderzoek niet altijd zien wat het kan. Soms laat een kind vooral zien wat het op dát moment aankan. En dat is iets anders.
Het begon al bij de kleuters
De eerste onderzoeken begonnen jong. Bij de kleuters waren er logopedische onderzoeken, daarna intelligentieonderzoeken en andere onderzoeken rondom zijn ontwikkeling.
In groep 3 en 4 kwam corona ertussendoor, een ingewikkelde periode waarin onderwijs en ontwikkeling sowieso moeilijker te volgen waren. Groep 5 ging eigenlijk best aardig, maar de vragen verdwenen niet.
Er waren zorgen over zijn gehoor. Niet één keer, maar meerdere keren. Tot drie keer toe kwam hij zwak uit een gehoortest. Als een kind drie keer onvoldoende scoort, neem je dat serieus. Uiteindelijk kreeg hij in groep 6 een gehoorapparaat.
Logisch. Meten is weten. Toch?
Maar wat meet je dan precies?
Later kwam er een leerkracht die iets belangrijks zag: het gehoorapparaat hielp niet alleen — het versterkte ook geluid. En juist geluid kostte hem ontzettend veel.
Onze zoon raakt snel overprikkeld. Als er veel geluid, informatie en verwachtingen tegelijk binnenkomen, loopt zijn belasting snel op. De gehoortest kwam in de kast terecht en bleef daar.
En dan ontstond achteraf een ingewikkelde vraag: wat hadden die gehoortests precies gemeten? Was zijn gehoor het probleem? Of zagen we tijdens die tests óók een kind dat moe was, overprikkeld raakte, zijn aandacht niet meer bij de opdracht kon houden, en op een gegeven moment vooral dacht: als ik maar iets doe, ben ik er vanaf.
Het patroon dat we leerden herkennen
Dat patroon kennen we inmiddels goed. Als iets hem te veel wordt, kan hij gaan vermijden. Niet altijd zichtbaar, hij loopt niet weg. Soms vult hij gewoon iets in. Maakt de opdracht af. Klaar.
En dan heb je als professional een uitslag. Een getal. Een score. Maar hoeveel zegt die score over wat een kind werkelijk kan? En hoeveel zegt hij over wat dat kind op dát specifieke moment nog kon opbrengen?
Wij hadden meestal twijfels, maar volgden ook de professionals.
Een disharmonisch profiel
Ook uit het intelligentieonderzoek kwam geen eenvoudig verhaal. Er ontstond een disharmonisch profiel. Zijn werkgeheugen is kwetsbaar. Zijn verwerkingssnelheid ligt laag. Dyslexie drukt op onderdelen waarin taal een grote rol speelt.
Maar tegelijkertijd zien we iets heel anders zodra het gaat over analogieën leggen, verbanden zien en werkelijk begrijpen. Daar kan hij juist bovengemiddeld sterk in zijn.
Geef hem veel informatie achter elkaar, tijdsdruk, of meerdere dingen tegelijk en hij loopt vast. Geef hem ruimte om na te denken, verbanden te leggen, iets écht te begrijpen en je ziet een ander kind.
Welke van die twee meet je dan? Het antwoord is: allebei. Het hoort allebei bij hem. Maar een totaalscore vertelt dat verhaal niet vanzelf.
De onderzoeken waren wél nodig
En hier wil ik voorzichtig zijn, want dit is geen verhaal tégen diagnostiek.
Een van de onderzoeken die voor onze zoon enorm belangrijk is geweest, was het dyslexieonderzoek. Zonder die diagnostiek was de deur naar behandeling niet opengegaan. En die behandeling heeft ontzettend veel gebracht.
Het was intensief ook voor ons als ouders. Steeds weer oefenen. Stap voor stap. Lezen, schrijven, taal begrijpen.
En toen gebeurde er iets moois. In groep 7 kon hij met de klas meelezen. Niet omdat iemand had gezegd dat hij beter zijn best moest doen, maar omdat eindelijk duidelijk was waar het vastliep, en daar gericht hulp op kwam. Hij leest nog steeds graag.
Dan is diagnostiek geen etiket. Dan opent diagnostiek een deur.
Soms was een mens belangrijker dan een meting
Als ik terugkijk op zijn basisschooltijd, denk ik niet alleen aan onderzoeken en behandelingen. Ik denk ook aan mensen.
Aan die ene leerkracht die hem werkelijk zag. Die niet alleen keek naar wat er volgens de methode of de Cito-toets moest gebeuren, maar naar wat dit kind nú nodig had om verder te kunnen. Dat heeft misschien wel meer betekend dan veel van de onderzoeken die we hebben laten doen.
En aan de creatieve docent die hem vanaf de kleutertijd ruimte gaf. Daar hoefde niet alles snel, niet alles in één goed antwoord te passen. Daar mocht hij maken. Ontdekken. Hij maakt inmiddels prachtige kunstwerken, ook dat vertelt iets over een kind, al staat het niet op een scoreformulier.
En ondertussen bleven wij zoeken
Als ouders gingen wij mee in alle adviezen. Er was een onderzoek? Dan deden we dat. Een vervolgonderzoek? Prima. Nog een specialist? Natuurlijk. Je wilt het goede doen, je wilt niets missen.
Zo hebben we jarenlang zijn ogen laten controleren bij de oogarts, en een lang traject rond zijn gebit gevolgd bij de tandarts. Niet verkeerd — soms noodzakelijk om iets uit te sluiten.
Maar achteraf kun je bij sommige trajecten ook zeggen: wat heeft dit hem uiteindelijk gebracht? Want ieder onderzoek heeft óók een prijs. Niet alleen in geld of tijd, maar in belasting. Weer ergens naartoe. Weer een vreemde ruimte. Weer laten zien wat je kunt.
En ondertussen wil een kind soms maar één ding: gewoon kind zijn.
Groep 7, groep 8 en steeds meer druk
In groep 7 waren er achterstanden. In groep 8 opnieuw. Met die achterstanden kwam ook druk, er moest ingehaald worden, geoefend worden, gekeken worden naar wat nog niet op niveau was.
Maar juist daar zagen we steeds duidelijker dat belastbaarheid het sleutelwoord was. Meer aanbieden betekent niet automatisch meer leren. Bij een kind dat al vol zit, kan méér juist betekenen dat er minder binnenkomt.
Je kunt precies weten wat een kind nog moet leren. Maar als het kind op dat moment niet de ruimte heeft om het te leren, heb je weinig aan die kennis.
En toen kwam de middelbare school
Inmiddels zit hij op de middelbare school. Sociaal heeft hij daar gelukkig een goede aansluiting gevonden. Peers zijn belangrijk geworden, kinderen bij wie hij aansluiting vindt en die hem helpen om mee te doen.
Maar ook hier is niet ineens alles verdwenen. Vermijding bestaat nog steeds. Leren leren blijft ingewikkeld. Overprikkeling en belastbaarheid blijven een thema.
En misschien is dat wel precies wat al die jaren diagnostiek bij een pleegkind ons uiteindelijk hebben geleerd: niet één diagnose, niet één score, niet één verklaring, maar een patroon.
We probeerden te meten wat zich niet altijd liet meten
Als ik nu alle onderzoeken naast elkaar leg, ben ik blij dat we veel ervan hebben gedaan. We hebben dingen uitgesloten. We begrijpen beter waarom taal soms in de weg zit. De dyslexiediagnostiek heeft toegang gegeven tot behandeling die echt verschil heeft gemaakt.
Maar tegelijkertijd hebben we misschien soms geprobeerd iets heel precies te meten bij een kind dat zich op dat moment niet precies liet meten. Omdat hij moe was. Omdat hij overprikkeld was. Omdat hij wilde vermijden. Omdat zijn belastbaarheid op dinsdagmiddag om drie uur iets heel anders kon laten zien dan zijn werkelijke mogelijkheden.
Meten is weten betekent voor mij inmiddels iets anders. Een meting geeft informatie. Maar een meting geeft nooit het hele kind.
Misschien moeten we naast meten ook blijven kijken
Dat is misschien de belangrijkste opbrengst van onze lange zoektocht. Diagnostiek heeft ons ontzettend veel gebracht, maar diagnostiek alléén heeft ons niet bij het antwoord gebracht.
Daarvoor hadden we ook mensen nodig die keken. Die vertraagden. Die niet alleen vroegen “wat kan hij?”, maar ook: “wat kan hij vandaag aan?”
Een leerkracht die hem zag. Een dyslexiebehandelaar die stap voor stap met hem werkte. Mensen die zijn creativiteit ruimte gaven. Begeleiders die niet alleen naar zijn kwetsbaarheden keken, maar ook naar waar zijn kracht zat. En leeftijdsgenoten bij wie hij aansluiting vond.
Een kind is meer dan zijn werkgeheugen. Meer dan zijn verwerkingssnelheid. Meer dan dyslexie. Meer dan een achterstand.
Onze zoon is inmiddels dertien. Na al die onderzoeken hebben we veel puzzelstukjes verzameld, en daar ben ik dankbaar voor. Maar de belangrijkste les leerden we niet uit een onderzoek, die leerden we onderweg: soms moet je stoppen met vragen wat een kind nog moet laten zien, en eerst kijken naar wat het nodig heeft om zichzelf te kúnnen laten zien.
Pleegouder Sander
Beluister hier de podcast op Youtube en Spotify

