Hoe vertel je je pleegkind over zijn eigen levensverhaal? Het levensverhaal van je pleegkind is er altijd al. Er is geen moment waarop je denkt: nu is het de juiste tijd om erover te beginnen. Het sluimert in kleine vragen, in stiltes aan tafel, in een tekening op school of je merkt het aan onrustig gedrag. Je vertelt het niet één keer. Je vertelt het steeds opnieuw, in kleine stukjes, op de momenten dat het kind er klaar voor is.

Wij doen dat al jaren. En ik merk dat het nooit routine wordt.

Twee kinderen, twee verhalen

Onze twee pleegzoons hebben allebei hun eigen verhaal en die verhalen lijken op het eerste gezicht misschien op elkaar, maar ze zijn wezenlijk anders.

De één heeft nog contact met zijn biologische vader en moeder. Hij kent hun gezichten, hun stem, hun manier van doen. Dat contact is soms mooi en soms pijnlijk, en allebei tegelijk. De ander heeft dat contact niet. Voor hem zijn de biologische ouders aanwezig verder op afstand, als achtergrond, als een deel van wie hij is, maar niet als mensen die hij regelmatig ziet. Als heeft hij wel mooi contact met zijn biologische Opa.

De één is bij ons gekomen via een vrijwillig traject. De ander via een gedwongen uithuisplaatsing, met jeugdzorg aan tafel, een rechtbank, en een kind dat daar zelf geen stem in had ook al waren ze nog heel klein. Ze hebben er zelf niet voor gekozen. Geen van beiden. Dat is misschien wel het eerste wat ik altijd in gedachten houd als ik met ze praat over hun verleden: dit is hen overkomen. Ze zijn niet weggegaan. Ze zijn geplaatst.

En dat maakt het vertellen van hun verhaal anders dan bij kinderen die hun biologische ouders gewoon kennen en bij hen wonen. Het vraagt misschien nog meer zorgvuldigheid. Meer bewuste keuzes in wat je zegt, hoe je het zegt, en ook wanneer.

Wat we altijd vertellen en hoe

We praten over hun geboorteouders. Altijd. We verstoppen ze niet, we poetsen ze niet op, maar we veroordelen ze ook niet. Dat is soms een dunne lijn, want de verhalen zijn niet altijd mooi. Er is narigheid geweest. Er zijn ouders die vaak nog niet voor zichzelf konden zorgen, laat staan voor een kind. En onze pleegzoons worden zich daar steeds meer van bewust naarmate ze ouder worden.

Wat we hun meegeven is dit: het mag jou beter vergaan dan je ouders. Dat is geen veroordeling van wie hun ouders zijn. Het is een uitnodiging aan onze kinderen om hun eigen plek in de wereld in te nemen. Een plek die van henzelf is niet bepaald door wat er achter hen ligt.

Die boodschap zeggen we niet één keer aan tafel. Die zit in hoe we over hun ouders praten. In de toon die we gebruiken. In wat we wel en niet zeggen. Kinderen voelen haarfijn aan of je hun ouders respecteert of niet. En ook al zijn die ouders er misschien niet, ook al is de situatie complex of pijnlijk, een kind draagt zijn ouders nu eenmaal altijd met zich mee. Dat hoort zo.

En daarom zeggen we ook dit: ook al hebben wij het gezag, wij zijn er ook voor hun ouders. We zijn dienstbaar aan het grotere geheel. We zijn niet beter dan de biologische ouders. We zijn degenen die nu de zorg dragen. Voor de kinderen zijn we gewoon de ouders. Maar we weten wie er nog meer bij hun leven horen en we zeggen dat ook.

De biologische ouders zijn mensen.

Iets wat ik in de loop der jaren heb geleerd: praat over de biologische ouders als mensen met die wel een hoop belast op hun pad hebben gehad. Ze hebben hier niet voor gekozen, wel gekregen. De ouders zijn mensen met een naam, met hun eigen verhaal, met dingen waar ze goed in waren en dingen waar ze mee worstelden.

Dat vraagt soms moed. Want sommige verhalen zijn zwaar. Er is sprake geweest van verslaving, van verwaarlozing, van niet kunnen of niet mogen. Onze oudst weet dat zijn moeder niet zelf haar geld beheerd en dat het dan ook niet altijd geregeld is dat er een cadeau is met je verjaardag en later kan het er opeens wel zijn. Maar ook achter die verhalen zitten mensen die ooit zelf kind waren. Die ooit ook een begin hadden. En die om uiteenlopende redenen niet in staat waren om voor hun kinderen te zorgen.

Zo groeien de kinderen in hun situatie en worden ze met het groter worden steeds meer bewust van het lost van hun ouders en hun eigen lot. Onze kinderen hoeven niet te kiezen, er is genoge liefde. Het hoeft niet aan één kant te gaan staan. Het mag beide werelden kennen, beide verhalen dragen, zonder dat het ene het andere ongedaan maakt.

Twee manieren om met je verhaal om te gaan

Wat me blijft fascineren is hoe verschillend onze twee zoons omgaan met hun verleden. En hoe dat ook mag.

De jongste heeft op een gegeven moment zelf een woord gevonden. Geen moedervlek, zei hij,  maar een papavlek. Hij heeft afstand genomen van zijn verleden op zijn eigen manier, met een soort fiere nonchalance die je niet kunt bedenken, alleen maar bewonderen. Hij staat met beide benen in zijn eigen toekomst. Vol. Zelfverzekerd. Vooruitkijkend. Hij draagt zijn verleden als iets wat er is, niet als iets wat hem bepaalt. En in dat goud staan, dat is iets wat hij zelf heeft gevonden. Niet iets wat wij hem hebben gegeven. En ja hij mist zijn moeder ook, dat is in alles voelbaar.

De oudste is anders. Hij is meer verbonden met de pijn, met wat er is gebeurd, met de schuld die soms vanuit het systeem op kinderen drukt. Hij draagt het meer met zich mee. Soms letterlijk: in zijn lichaam, in hoe hij reageert, in de momenten waarop hij ineens stil wordt of juist uitbarst. En dat is ook goed. Er is geen goed of fout in hoe een kind omgaat met zijn verhaal. Het hoort er allemaal bij.

Wat ik wel merk is dat hij, juist omdat hij zo verbonden is met dat grotere geheel, ook zoekende is naar zijn eigen plek. Waar hoor ik bij? Van wie ben ik? En wat mag ik loslaten? Dat zijn vragen die hij op zijn eigen tempo beantwoordt. Onze taak is niet om die vragen voor hem op te lossen. Onze taak is om ernaast te staan terwijl hij ze stelt.

Het genogram als kapstok

Iets wat ons enorm heeft geholpen en wat ik ook aan andere pleegouders aanraad, is het genogram. Wat wij doen, en wat in de pleegzorgwereld ook wel levensverhaalwerk wordt genoemd, is het verhaal levend houden. Het genogram is daarvoor een concreet hulpmiddel: een soort uitgebreide familieboom waarbij je iedereen erin zet. We kregen deze opdracht een keer tijdens de peuterschool al. Hoe leuk om dit te doen. Niet alleen wie er nu in het gezin woont, maar ook de biologische ouders, grootouders, broers en zussen elders, en iedereen die een rol hebben gespeeld. Iedereen die ergens in het leven van het kind heeft betekend.

Zo nu en dan maken we er samen een nieuwe versie van. Niet als therapie, niet als huiswerk, maar gewoon aan tafel met een groot vel papier. En dan kijk je samen: wie zijn er allemaal? Wie hoort erbij? Hoe zitten de lijnen?

Wat dat doet is simpel maar krachtig: het geeft overzicht. Het zegt tegen het kind,  al die mensen horen bij jouw verhaal. Je hoeft ze niet te kiezen of te rangschikken. Ze zijn er gewoon. En jij staat in het midden. Niet omdat jij het zwaarste punt bent, maar omdat het jouw verhaal is.

En dat is precies de boodschap die we willen meegeven: de kinderen zijn van zichzelf. Niet van hun biologische ouders, niet van ons, niet van jeugdzorg. Van zichzelf.

Wanneer vragen ze ernaar en wat doe je dan?

Kinderen vragen zelden rechtstreeks. Zelden zegt een kind: “Pap, kun je me vertellen waarom ik niet bij mijn biologische ouders woon?” Die vragen komen schuin. Via een tekening. Via een opmerking in de auto. Via een vraag over een ander kind dat ook wordt geplaatst. Via een stilte die langer duurt dan normaal. Vaak in de avond wanneer ze voelen en dag afsluiten.

Wat je dan doet is niet meteen het hele verhaal vertellen. Je volgt het kind. Je gaat niet vóór de vraag lopen, maar je gaat er ook niet achteraan. Je zegt iets kleins, iets warms, iets waars en je kijkt wat er dan gebeurt. Komt er meer? Dan geef je meer. Is het genoeg? Dan laat je het rusten.

Een zin die ik zelf veel gebruik: “Dat is een goede vraag. Wat denk jij zelf?” Niet als uitwijkmanoeuvre, maar als echte interesse. Want kinderen hebben vaak al een eigen verhaal. Soms klopt dat verhaal, soms niet. En soms is het verhaal dat ze zichzelf vertellen zwaarder dan de werkelijkheid.

Dat correctief geven, voorzichtig, zonder het kind het gevoel te geven dat het fout zat, dat is misschien wel het meest waardevolle wat je kunt doen. Nee, het is niet jouw schuld dat je hier bent. Nee, je ouders waren niet slecht. Ze konden het niet. En dat is een groot verschil.

Wat dit vraagt van jou als pleegouder

Eerlijk gezegd: het vraagt een hoop van je. Want je vertelt niet alleen het verhaal van het kind. Je raakt daarmee ook aan je eigen gevoelens over de biologische ouders. Over de keuzes die er zijn gemaakt. Over het systeem dat soms tekortschiet. Over de momenten waarop je boos bent, of verdrietig, of gewoon moe.

En toch is het belangrijk dat je die gevoelens niet meeneemt in het gesprek met je kind. Niet omdat ze er niet mogen zijn, ze mogen er absoluut zijn,  maar omdat een kind niet de drager hoort te zijn van jouw verwerking. Een kind hoort kind te kunnen zijn. Jij draagt wat van jou is. En je laat bij het kind wat van het kind is.

Dat onderscheid is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik weet het uit eigen ervaring. Er zijn avonden geweest waarop ik aan tafel zat en dacht: hoe leg ik dit uit op een manier die klopt én die niet beschadigt? Soms lukt dat goed. Soms merk je achteraf dat je iets anders had willen zeggen.

Dat hoort erbij. Je hoeft het niet perfect te doen. Je hoeft het gesprek alleen maar aan te gaan. Keer op keer. In kleine stukjes. Met eerlijkheid en met respect voor iedereen die erbij betrokken is.

Voor andere pleegouders

Als je dit leest als aspirant-pleegouder of als je al in het pleegouderschap zit: er is geen perfect script voor dit gesprek. Geen moment waarop je denkt: nu is alles gezegd, nu begrijpt mijn kind het volledig. Het levensverhaal groeit mee. De vragen veranderen. En jij groeit mee als ouder.

Wat telt is dat je het gesprek niet uit de weg gaat. Dat je het verhaal van je pleegkind serieus neemt ook de pijnlijke delen, ook de biologische ouders die fouten hebben gemaakt, ook de stiltes waarin het kind nog geen woorden heeft.

Respect voor wie een kind is en waar het vandaan komt, is geen zwakte. Het is de basis van vertrouwen. En vertrouwen is de grond waarop een kind kan groeien.


Ben jij aan het nadenken over pleegouder worden, of wil je meer weten over wat het inhoudt? De Rading begeleidt aspirant-pleegouders in de regio en helpt je ontdekken of pleegzorg bij jou past. Want kinderen die een thuis nodig hebben, zijn er genoeg. Bezoek de website van de Rading en ontdek wat jij kunt betekenen.